levensfunctie

vrouwelijk (de)/ˈlevənsˌfʏnksi/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. hoofdreden van bestaan, belangrijkste rol
    Wij denken aan een kerk als de H. Familie in Oberhausen, die zich geheel onopvallend in het menselijke landschap inschrijft, geen enkele reden van bestaan heeft dan haar levensfunctie.
  2. proces in een organisme dat onmisbaar is om niet dood te gaan
    Deze ontregeling van de wellicht vitaalste levensfunctie, de afwisseling tussen waken en slapen, bewustzijn en droom, activiteit en regeneratie, tast Dal danig aan.