leren
/ˈlerə(n)/
Betekenis
werkwoord
- kennis of vaardigheid verwervenEn zo had Giorgos tijd alleen met mijn kinderen, zodat ze elkaar een beetje zouden leren kennen.Kies je eigen weg, maak je eigen keuzes, leer je eigen lessen.
- kennis of vaardigheid doen verwervenWe praatten de hele dag en hij leerde me hoe ik veilig een gevaarlijke sneeuwbrug over kon steken door mijn wandelstokken horizontaal te houden voor het geval de sneeuw onder me wegviel en ik in de overdekte ijsrivier terecht zou komen.
Etymologie
#van leer vervaardigd
Uitdrukkingen
- De tijd zal het leren — na verloop van tijd is er bekend hoe het gegaan is
- Iemand mores leren — wraak op iemand nemen en/of flink zeggen hoe het er voor staat
- In de nood leert men zijn vrienden kennen — als je in moeilijkheden zit merk je wie echt je vriend is
- Jong geleerd is oud gedaan — hoe eerder men iets leert, des te langer de vaardigheid zal blijven
- Met vallen en opstaan (leren) — door mislukkingen leren
- Nood leert bidden — in nood leert men anderen om hulp vragen
- Omstaan leren — leren schikken naar de wensen en bevelen van een ander
- Op een oude fiets moet je het leren — Het is niet nodig om iets te oefenen of een vaardigheid aan te leren door gebruik te maken van het allernieuwste materiaal
Vertalingen
Engelslearn, teach
Fransapprendre, apprendre
Duitslernen, lehren
Spaansaprender
Italiaansimparare, insegnare
Poolsuczyć się, uczyć
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek