leren

/ˈlerə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. kennis of vaardigheid verwerven
    En zo had Giorgos tijd alleen met mijn kinderen, zodat ze elkaar een beetje zouden leren kennen.
    Kies je eigen weg, maak je eigen keuzes, leer je eigen lessen.
  2. kennis of vaardigheid doen verwerven
    We praatten de hele dag en hij leerde me hoe ik veilig een gevaarlijke sneeuwbrug over kon steken door mijn wandelstokken horizontaal te houden voor het geval de sneeuw onder me wegviel en ik in de overdekte ijsrivier terecht zou komen.

Etymologie

#van leer vervaardigd

Uitdrukkingen

  • De tijd zal het lerenna verloop van tijd is er bekend hoe het gegaan is
  • Iemand mores lerenwraak op iemand nemen en/of flink zeggen hoe het er voor staat
  • In de nood leert men zijn vrienden kennenals je in moeilijkheden zit merk je wie echt je vriend is
  • Jong geleerd is oud gedaanhoe eerder men iets leert, des te langer de vaardigheid zal blijven
  • Met vallen en opstaan (leren)door mislukkingen leren
  • Nood leert biddenin nood leert men anderen om hulp vragen
  • Omstaan lerenleren schikken naar de wensen en bevelen van een ander
  • Op een oude fiets moet je het lerenHet is niet nodig om iets te oefenen of een vaardigheid aan te leren door gebruik te maken van het allernieuwste materiaal

Vertalingen

Engelslearn, teach
Fransapprendre, apprendre
Duitslernen, lehren
Spaansaprender
Italiaansimparare, insegnare
Poolsuczyć się, uczyć