leproos
mannelijk (de)/leˈpros/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (medisch) melaatse
Etymologie
* Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘melaats, aan lepra lijdend’ voor het eerst aangetroffen in 1380
Vertalingen
Spaansleproso
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek