lengte

vrouwelijk (de)/ˈlɛŋktə/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. natuurkunde, wiskunde (natuurkunde), (wiskunde) de grootste afmeting van een voorwerp
    Die vrachtwagen heeft een enorme lengte.
    In hoofdletters was de lengte van de trail erin gegraveerd: ‘MEXICO TO CANADA 2.627 MILES’, oftewel 4.286 kilometer.
    De Zweedse bossen konden kant-en-klare stammen van twintig meter leveren, maar voor het werk met de palen in de rivier hadden ze de dubbele lengte nodig.
  2. de tijdsduur van iets
    Wat is de lengte van deze film?
  3. aardrijkskunde (aardrijkskunde) op welke meridiaan een plaats ligt
    Op welke lengte ligt Amsterdam?

Etymologie

*Afgeleid van lang (+ umlaut) .

Vertalingen

Engelslength, length, duration
Franslongueur
DuitsLänge, Länge, Dauer
Spaanslongitud, longitud
Russischдлина, продолжительность, долгота
Poolsdługość