leggen
/ˈlɛxə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (ov) doen liggenHij legde het tijdschrift op de tafel.Ik heb de neiging om haar hand te pakken en mijn hoofd op haar schouder te leggen.‘Denk erom hè… Geen haast,’ riep hij me na terwijl ik naar de grensmuur liep om mijn hand op het koude ijzer te leggen en mezelf moed in te praten: ‘veilig thuiskomen’.
Etymologie
*(causatief) van liggen.
Uitdrukkingen
- beslag leggen op — wegnemen van de mogelijkheid te beschikken over
- botje bij botje leggen — samen ieder een deel betalen
- de hand leggen op — bemachtigen
- de laatste hand leggen aan — afmaken, voltooien
- de vinger op de wond leggen — precies aangeven waar het probleem zit
- geen haarbreed in de weg leggen — niets doen om iemand tegen te houden of te belemmeren
- geen strobreed in de weg leggen — niets doen om iemand tegen te houden of te belemmeren
- geen windeieren leggen — veel winst opleveren
Vertalingen
Engelsput, place
Fransmettre, poser
Duitslegen
Spaansponer, colocar
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek