leewieken

/ˈlewikə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. verwijderen van een stukje vleugel bij jonge vogels om te voorkomen dat ze later kunnen wegvliegen
    Bep, Ko en Jan, van beroep muskusrattenvanger, hielpen hun vader Piet Oosteveen bij het vangen, ringen en leewieken van de dieren. Leewieken is het verwijderen van een klein stukje vleugel. Ook kregen zwanen die jongen kregen ter herkenning nogal eens een tatoeage op hun snavel.
    De zwanendrifters Sjoerd van der S. uit Benschop en Herman van E. uit Nieuwerbrug ontkennen dat ze in 2014 eigenhandig 591 zwanenkuikens hebben geleewiekt. Dat zou zijn gedaan door dierenartsen, maar namen willen ze niet noemen. "Ik ga geen dierenarts voor de leeuwen gooien," zei Van der S. dinsdag in de Utrechtse rechtszaal.

Etymologie

* afgeleid in navolging van kortwieken

Vertalingen

Engelsclipping of the wings