Leek

mannelijk (de)/lek/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. iemand die niet deskundig is op een bepaald gebied
    Volgens alle kenners was dit de beste computer, dus die heb ik toen als leek ook maar gekocht.
    Als je voor een publiek presenteert dat je product nog niet kent, is het belangrijk je te verplaatsen in de luisteraar. Ga ervan uit dat je te maken hebt met een leek. Belangrijk is je vakjargon beeldend te maken voor een grotere doelgroep.
  2. religie (religie) iemand die niet tot de geestelijke stand behoort, gewone gelovige
    In de katholieke kerk wordt de eredienst uitgevoerd door priesters, maar mogen leken daar wel bij helpen.
    Niet dat de teksten de geestelijke leidsrol van de clerus fundamenteel in twijfel trekken maar zij getuigen wel van een steeds toenemende mondigheid van de leek die, ook in religieus opzicht, gepaard gaat met een duidelijke opwaardering van de lekenstand.
zelfstandig naamwoord
  1. smalle waterstroom
zelfstandig naamwoord
  1. groente, verouderd (groente) (verouderd) benaming in de Betuwe voor soorten zuring () waarvan het blad werd gegeten, in het bijzonder krulzuring ()
    {{ouds

Etymologie

*[E] van Middelnederlands "ladic" dat teruggaat op Latijn "lapathus" en "λάπαθος" (lápathos)

Vertalingen

Engelslayman
Franslaïc, laïc
DuitsLaie, Laie
Spaanslaico
Italiaanslaico
Portugeeslaico, leigo
Poolslaik, laik
Zweedslekman, ickefackman