lector
mannelijk (de)/xxxx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (onderwijs), (beroep), (wetenschap) docent aan een universiteit, een rang lager dan hoogleraar
- (beroep) manuscriptenlezer voor een uitgeverij
- (religie) degene die tijdens de liturgie de lezingen voorafgaand aan de evangelielezing voorleest
Etymologie
* Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘titel aan universiteit’ voor het eerst aangetroffen in 1762
Vertalingen
Engelslector, lecturer
Spaanslector
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek