lapzalven

/ˈlɑpsɑlᵊfə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. een kwaal verzachten met middelen waarvan de geneeskrachtige werking twijfelachtig is
    Er brandde een gistend plezier onder de jonge meiden en kerels, waar met waarschuwend woord niet tegen te lapzalven viel.
  2. ov, scheepvaart, figuurlijk (ov) (scheepvaart)(figuurlijk) (van een schip) opknappen en repareren
  3. ov, scheepvaart, figuurlijk (ov) (scheepvaart)(figuurlijk) (van touwwerk) controleren en met teer insmeren
    Kort voor de Feodora de bestemming Koningsbergen bereikte, stond hij met de jonge Fin kabels te lapzalven toen de kapitein kwam en uitvoer dat dit luieren en geen werken was.

Etymologie

*: lapzalf met uitgang -en