lapper

mannelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. persoon die schoenen repareert; iemand die ketels repareert
    Bij het kerkgangetje Zondagsmorgens, want Jaap ging 's middags, 'binnen-door' reeds mee naar de middagkerk, wanneer om kwart-over-negenen de reek de straat uitkwam, over de brug naar 't huis van Jan de Lapper, keek hij meestal naar de drukkerij-kant uit of waar de schepen met bedekte ruimen druilden of waar een schipper in zijn bonte boezeroen op-sloffen aan de walkant 'Sting'.
  2. dronkaard, knoeier

Etymologie

*afleiding van lappen