lapper
mannelijk (de)
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- persoon die schoenen repareert; iemand die ketels repareertBij het kerkgangetje Zondagsmorgens, want Jaap ging 's middags, 'binnen-door' reeds mee naar de middagkerk, wanneer om kwart-over-negenen de reek de straat uitkwam, over de brug naar 't huis van Jan de Lapper, keek hij meestal naar de drukkerij-kant uit of waar de schepen met bedekte ruimen druilden of waar een schipper in zijn bonte boezeroen op-sloffen aan de walkant 'Sting'.
- dronkaard, knoeier
Etymologie
*afleiding van lappen
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek