Landsman

mannelijk (de)/ˈlɑntsmɑn/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. verouderd (verouderd) tot een bepaald land behorende persoon
    Na den dood van den stadhouder Joost van Lalaing werd heer Jan, ingevolge het van Maximiliaan verkregen privilegie, dat de stadhouder een landsman moest zijn, zijn opvolger.
  2. landgenoot
    Rorik vertrok toen met zijn landsman Godfried naar Denemarken om een gooi te doen naar het koningschap.
  3. land-, streek- of plaatsgenoot

Etymologie

* [3] Jiddisj

Vertalingen

DuitsLandsmann