landschap

onzijdig (het)/ˈlɑntsxɑp/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. geologie (geologie) hoe een bepaalde streek eruitziet qua geologische vormen en begroeiing
    Ik liep door idyllische ‘Bob Ross’-landschappen met hoge witte bergen, verbonden door groene valleien met kabbelende beekjes en heldere meren.
  2. schilderkunst, metonymisch (schilderkunst), (metonymisch) een schilderij waarop [1] het onderwerp van het kunstwerk is
    Op een tafel met een vaal gekleurd kleedje staat een vaas met droogbloemen, aan de muur hangen slecht geschilderde landschappen.
    Ik bid in stilte, terwijl ik verbeten naar het ingelijste landschap staar.
  3. landstreek
    Onder dit prachtige landschap gingen nare zaken schuil, maar het voelde niet als oorlog, niet zoals een oorlog hoorde te zijn volgens de Schlosses.
    Het was een gekke gewaarwording om na alle drukte van thuis helemaal alleen te lopen als een klein onderdeel van het landschap.
    Aan de muur hangen schilderijen van het landschap zoals we dat hebben leren kennen vandaag: verbrande akkers aan de voet van uitgedoofde vulkanen.

Etymologie

*afgeleid van land

Vertalingen

Engelslandscape, scenery
Franspaysage
Spaanspaisaje
Turksmanzara