landedelman

mannelijk (de)/ˈlɑntedəlˌmɑn/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. iemand van adel die op een landgoed leeft
    De dokter van zijn kant onderdrukte met moeite de minachting, die hij voor deze oude landedelman voelde en trachtte zich begrijpelijk te maken voor diens beperkt verstand.
    In het statige woonvertrek blikt de achterneef van koningin Beatrix terug op het leven van Emma en vertelt de landedelman over zijn contacten met de Oranjes: „Wij zijn er in goede en in slechte tijden bij.”