landbevolking
vrouwelijk (de)/ˈlɑndbəˌvɔlkɪŋ/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- inwoners van agrarische gebiedenHet landje-pik heeft Mugabe niet gevrijwaard van een halve nederlaag, maar hij heeft dankzij het opzetten van de landbevolking tegen blanke grootgrondbezitters vermoedelijk wel zijn regime kunnen prolongeren.Het waren de conservatieve bolwerken binnen de samenleving die zich na 1871 tegen opname en gelijkstelling van de joodse medeburgers verzetten; dezelfde bolwerken dus die ook de moderne liberale burgerstaat afwezen: de agrarische streken, adellijke grondbezitters, landbevolking en kerkelijke kringen en in de steden kleinere middenstanders en ambachtslieden.
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek