lampion

mannelijk (de)/ˌlɑmpiˈjɔn/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. lamp van helder gekleurd licht materiaal, gebruikt voor een feestelijke stemming of als versiering
    De eerste jaren bleef de ijssalon open tot diep in november, waardoor kleumende kinderen die op de avond van Sint Maarten met hun lampions langskwamen, werden vergast op een (dun) wafelijsje.
    Die avond werd er in Perspektivum een geweldig feest gevierd. Alle beschikbare lampionnen waren op het plein opgehangen. De Koning had zijn troon op het bordes van het Raadhuis laten zetten zodat hij alles goed kon zien. En aan zijn rechterhand zat Kleine Woord terwijl Schoonheid een ereplaats had gekregen aan de linkerkant van Koning Palet. {{Aut|Herzen, Frank
    De brandende lampion die de kinderen, op de avond van Sint Maarten, zingend langs de huizen dragen, de kerstboom, de suizende lichtpijlen als het nieuwe jaar begint en de hoge sprong over het vuur op het zomerfeest van Sint Jan.

Etymologie

* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘feestverlichting’ voor het eerst aangetroffen in 1810

Vertalingen

Franslampion
Spaansfarolillo, linterna de papel