laaie
vrouwelijk (de)/ˈlajə/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (verouderd) vlamNu zwenkt een zon, en zaait haar gouden regen,Dan, reuzengroot, verheft zich aan de kimmen,Een kruis van licht en zie! in roode laaie Staan fluks geboomte en vijver, heel het landschap.Daar vonkelde licht noch laaie In 't lage, vunzige kamerkijn;Slechts door 't bevrozene raamkenDrong flauw de maneschijn.
Etymologie
*van Middelnederlands "laeye"
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek