kwak

mannelijk (de)/kʋɑk/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. hoeveelheid kleverig of gelei-achtig materiaal
    Er viel een kwak mayonaise op mijn broek.
  2. roeipotigen (roeipotigen) bepaalde reigersoort,
    De kwak broedt in de zoete en zoute draslanden van Afrika, Europa, Azië en Amerika.
  3. gedroogde en gemalen cassave

Etymologie

*(klanknabootsing)

Vertalingen

Engelsdollop, black-crowned night heron, night heron
Fransbihoreau gris, héron bihoreau
DuitsNachtreiher
Spaansmartinete común, guaco, garza bruja