kwaadsprekerij

vrouwelijk (de)/ˈkwatsprekəˌrɛi/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. bewuste verspreiding van negatieve verhalen over iets of iemand
    Na de scheiding werd hij naar eigen zeggen door de autoriteiten bestempeld als politiek onbetrouwbaar. Kwaadsprekerij over het systeem waarin hij opgroeide en een ster werd, was hem desondanks vreemd.
    De verhalen dat de financiële voorspoed van Johannes en zijn familie niet alleen met eerlijk verdiend geld zou zijn bereikt, doet zijn familie af als kwaadsprekerij.

Etymologie

*afgeleid van "kwaadspreker"