kust
mannelijk/vrouwelijk (de)/'kɵst/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (geologie) de waterkant langs de zeeWe maakten een wandeling langs de kust.Zijn geschilderde kust lijkt totaal niet op een Nederlands zeezicht - geen donkerbruin of leigrijs water, geen zandbank vol stenen.Vijftien kilometer uit de kust.
- de omgeving als zodanigBlijkbaar werkte mijn actie wel, dus ik schopte nogmaals wat zand waardoor de ratelslang sierlijk de struiken ingleed. Ik wachtte een paar minuten tot de kust echt veilig was.
- een keuze
Etymologie
* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘grens tussen land en zee’ voor het eerst aangetroffen in 1436
Uitdrukkingen
- De kust is veilig — Er is geen gevaar (m.n. als men iets verbodens wil doen)
- Er zijn kapers op de kust — Er zijn meer mensen die tegelijk belangstelling hebben voor hetzelfde
- Te kust en te keur — Er is meer dan voldoende keuze
Vertalingen
Engelscoast, seaside, shore
Franscôte
DuitsKüste
Spaanscosta
Italiaanscosta
Portugeescosta
Russischберег
Poolswybrzeże
Zweedskust
Deenskyst
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek