kuch

mannelijk/vrouwelijk (de)/kʏx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. korte hoest
    Het lijkt een faux pas. Een kuchje op het verkeerde moment. ‘Sorry’, zegt het kamermeisje Abigail (Emma Stone) als de explosieve koningin Anne (Olivia Colman) haar vinnig aankijkt. ‘Ik denk dat ik een koutje heb gevat toen ik gisteren de kruiden plukte tegen uw jicht.’ de Volkskrant Floortje Smit2 januari 2019 [https://www.volkskrant.nl/cultuur-media/the-favourite-is-verschrikkelijk-grappig-en-oneindig-tragisch-vijf-sterren-~ba553632/ The Favourite is verschrikkelijk grappig en oneindig tragisch (vijf sterren)]
    Mevrouw Van Raat bleef haar steeds bezorgd aanzien, want met Eline's grotere opgewektheid was tevens haar kuch terug gekomen, een dof krijsende kuch, die zich uit haar keel scheen op te wringen.
tussenwerpsel
  1. informeel (informeel) (gebruikt om ironie te markeren; de spreker wil eigenlijk het tegendeel beweren van wat hij zegt)
    Na haar indrukwekkende zangprestatie *kuch*, bleef het stil achter de jurytafel.
zelfstandig naamwoord
  1. militair (militair) lang houdbaar brood, gebruikt als voedsel voor soldaten
    Een bekend soldatenlied uit de 20ste eeuw is ‘Rats, kuch en bonen; dat is het soldatendiner’.

Etymologie

*[B] wellicht van "keg" in de betekenis van "homp brood", in de betekenis van ‘soldatenbrood’ aangetroffen vanaf 1885