kruk
mannelijk/vrouwelijk (de)/krʏk/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- simpel zitmeubel zonder leuningenAlle stoelen zijn bezet, maar er staat daar nog wel een kruk.
- steun vanaf de oksel bij het lopenHij loopt nu al twee weken met krukken.
- simpel handvat waarmee een deur geopend kan wordenHij draaide de kruk van de deur en stapte binnen.
- (techniek) dwarsstaafje dat als handgreep dient, en dat haaks door een schacht van een bedieningsknop, gereedschap of iets dergelijks steektEen dopsleutel met een kruk.
- (techniek) een van de centrale as uitstekend deel van een krukasOp de krukken van een krukas komen vaak grote krachten te staan.
- (scheldwoord) incapabel, onhandig of krakkemikkig persoonIk kan geen spijker recht inslaan, want bij het klussen ben ik nogal een kruk.
Etymologie
*[4]: In de betekenis van ‘handvat’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1285
Vertalingen
Engelsstool, crutch, T-handle
Franstabouret, béquille
DuitsHocker, Krücke, Knauf
Spaanstaburete, banquillo, muleta
Italiaansstampella, gruccia
Russischтабурет, табуретка
Poolskula
Zweedspall
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek