kruissleutel
mannelijk (de)/xxxx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (gereedschap) een sleutel met vier vaste doppen, om de moeren van een autowiel aan of los te draaienDe wielmoeren zaten muurvast, ook met de kruissleutel lukte het niet.
Vertalingen
Engelswheel brace, lug wrench
Fransclé en croix
DuitsKreuzschlüssel
Spaansllave de cruceta
Portugeeschave de roda
Zweedsfälgkors
Deenskrydsnøgle
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek