kruissleutel

mannelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. gereedschap (gereedschap) een sleutel met vier vaste doppen, om de moeren van een autowiel aan of los te draaien
    De wielmoeren zaten muurvast, ook met de kruissleutel lukte het niet.

Vertalingen

Engelswheel brace, lug wrench
Fransclé en croix
DuitsKreuzschlüssel
Spaansllave de cruceta
Portugeeschave de roda
Zweedsfälgkors
Deenskrydsnøgle