kruising

vrouwelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. verkeer (verkeer) een punt waar twee of meer wegen samenkomen
    Op die kruising gebeuren veel ongelukken.
  2. sport (sport) de snijpaal van een doelpaal met de lat
    Hij schoot de bal precies in de kruising.
  3. een soort bevruchting bij planten en dieren van exemplaren van een soort of ras door exemplaren van een ander ras
    Door middel van kruising hebben we dit nieuwe soort kunnen maken.
  4. soort ontstaan door de paring van twee individuen van verschillende rassen of soorten
    Dankzij biologische kruising is het nieuwe soort een feit!
    Tot mijn opluchting zag ik dat het geen jonge beer, maar een grote vrouwtjescoyote was. Een soort kruising tussen een wolf en een vos.
  5. een persoon of zaak die bepaalde eigenschappen van twee andere personen of zaken in zich verenigt
    Dat kind was een kruising tussen zijn moeder en zijn vader.

Etymologie

* van kruisen

Vertalingen

Engelscrossing
Franscarrefour
Spaanscruce
Poolsskrzyżowanie