kruisgang

mannelijk (de)/ˈkrœysxɑŋ/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een arcade (gaanderij) rond de binnenplaats van een klooster of van een kerk waar kanunniken huizen
    Op zondag zijn de museale ruimtes, de abdijkerk met klokkentoren, de bibliotheek, de bisschopszaal, het kloosterpark, de wijngaarden en de historische kruisgangen vrij toegankelijk. Gedurende de dag zijn er kruidenwandelingen door het park en worden er miniconcerten in de abdijkerk gegeven. De Telegraaf 12 sep. 2013 [https://www.telegraaf.nl/nieuws/1060746/macht-pracht-tijdens-open-monumentendag Macht & Pracht tijdens Open Monumentendag]
  2. de gang naar een kruisiging
    Waar halen wij, zondige mensen, het lef vandaan om de kruisgang en het onnavolgbare lijden van de Heere Jezus na te bootsen, vraagt K. A. Gort zich af. Reformatorisch Dagblad K. A. Gort 27-03-2018 [https://www.rd.nl/opinie/the-passion-vervalst-intentie-van-heilige-schrift-1.1476831 The Passion vervalst intentie van Heilige Schrift]
  3. een lijdensweg in het algemeen
    Maar de kruisgang van Club was nog niet voorbij. Scheidsrechter Luc Wouters gunde Dessel nog een tweede penalty na een vederlicht contact tussen Donk en Bennassar. De strafschop werd dit keer genomen door Alan Ven - maar pas nadat een onwel geworden Dessel-supporter werd afgevoerd. Coosemans pakte de penalty. De Standaard 21/09/2011 door Koen Van Uytvange [http://www.standaard.be/cnt/dmf20110921_202 Club ontsnapt aan vernedering tegen derdeklasser Dessel]

Etymologie

* In de betekenis van ‘gang rond binnenplaats van klooster’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1477

Vertalingen

Engelscloister