kruisen
/xxxx/
Betekenis
werkwoord
- (intr) zich kruiselings heen en weer bewegen
- (intr) (scheepvaart) laveren
- (intr) zich verplaatsen met gewone snelheid
- aan een kruis slaan, kruisigen
- (ov) kruiselings plaatsen
- (ov) bevruchting laten plaatsvinden tussen exemplaren van verschillend soort of ras
- kruispunt makenDe twee rechte lijnen kruisten elkaar in het snijpunt.Hun blikken kruisten elkaar, Péricourt glimlachte naar hem, een kinderlijke glimlach als voorbereiding op een goede grap. {{Aut|Lemaitre, Pierre
- snijden, overstekenMijn lichaam moest zich constant aanpassen aan de lange afstanden en mijn nieuwe levensstijl waardoor ik heel snel steeds weer honger had. Het maakte niet uit wat en hoeveel ik at, het leek nooit genoeg te zijn. Gelukkig zou de trail binnenkort een weg kruisen waarlangs ik het legendarische ‘Paradise Café’ kon bereiken.
Etymologie
*afgeleid van kruis
Vertalingen
Engelscruise, crucify
Spaanscruzar, crucificar
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek