kruisbloemige

mannelijk (de)/krœyzˈbluməɣə/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. tot de familie van kruisbloemigen () behorende plant
    Iemand in een van de commissies heeft gevonden dat de aardige, geelbloeiende plant die luistert naar de naam Chelidonium majus en behoort tot de papaverfamilie (hoewel hij oppervlakkig bezien eerder een kruisbloemige lijkt), dat die plant stònk en nu heet hij `stinkende gouwe'.
    Vanzelfsprekend zijn er dus woorden die verband houden met geld, zoals judasstrop 'geld, geldzucht, geldgierigheid', judasgeld 'verradersloon', en judaspenning. Dat laatste is de volksnaam voor een kruisbloemige sierplant (Lunaria annua) waarvan de zilverwitte zaadhuisjes aan geldstukken doen denken.

Etymologie

*: "kruisbloemig" met de uitgang -e