kruiperigheid

vrouwelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. de mate waarin men al te gedienstig is
    Ik liet merken dat ik genoeg had van zijn gedienstige kruiperigheid.
    Paroollezer Edith Tulp betoogt in deze lezersbrief dat we hoogopgeleide expats ook moeten verplichten Nederlands te leren. ‘Hoelang blijven we volharden in die kruiperigheid tegenover Engelstaligen?’

Etymologie

* afleiding kruiperig