kruipen

/ˈkrœypə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. erga (erga) zich laag bij de grond, meest op handen en knieën gericht voortbewegen
    Zij is door het gras gekropen om niet gezien te worden.
    Gespannen rende ik naar de enige beschutte plek op de bergtop, een kleine berghut. Daar kroop ik, nog in de greep van de angst, mijn slaapzak in en rolde mezelf tot een kleine bal.
    Ik was blij dat we aan het afdalen waren en dat ik snel weer veilig in mijn tent in het dal kon kruipen.
  2. inerg (inerg) zich laag bij de grond, meest op handen en knieën ongericht voortbewegen
    Jantje heeft vandaag voor het eerst gekropen.

Etymologie

* In de betekenis van ‘zich op handen en voeten voortbewegen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240

Vertalingen

Engelscrawl
Duitskriechen
Spaansarrastrarse, reptar