kruidigheid

vrouwelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. de mate waarin iets een pittige smaak heeft
    Joeri Andrejevitsj snoof gulzig de complexe kruidigheid op van ijskoude ingelegde appels, een bittere droogte, een zoete vochtigheid en een donkerblauwe septemberdamp die aan de geschroeide stoom van een met water besprenkeld vuur of een zojuist gebluste brand deed denken.
    Breng op smaak met zout en peper of voeg voor meer kruidigheid een bouillonblokje toe. Dat mag écht wel. En voilà; je bouillon. Verdeel in bakjes of zakken en bewaar in de vriezer.”
  2. iets dat kruidig is

Etymologie

* afleiding van kruidig