kroonvogeltje
/ˈkroɱvoɣəlcə/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (vlinders) bepaald soort nachtvlinder, uit de familie van de tandvlinders (), met een voorvleugellengte van 17 tot 22 mm die verspreid over Europa voorkomt en als pop onder de grond overwintert
Etymologie
**[2] omdat de wittige kam op het borststuk aan een kroon doet denken
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek