kroonkurk
mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈkronkʏrk/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- een metalen dopje voor het afsluiten van flessenIn het zelfbedieningsrestaurant stond een bakje voor de kroonkurken.
Vertalingen
Engelscrown cork
DuitsKronkorken
Spaanschapa, tapón corona
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek