kroeg

mannelijk/vrouwelijk (de)/krux/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. horeca (horeca) publieke drinkgelegenheid
    Hij komt graag wat drinken in de kroeg.
    Ik was totaal weggeregend in mijn tentje en had het hele weekend een beetje verloren en verveeld voor me uit zitten kijken in een kroeg.

Etymologie

* Leenwoord uit het Nederduits, in de betekenis van ‘herberg’ voor het eerst aangetroffen in 1586

Vertalingen

Engelspub
Fransbar, cabaret, estaminet
DuitsKneipe
Spaansbar, taberna
Italiaansbéttola
Portugeesbar, taberna
Russischбар
Poolsbar, pub
Zweedskrog, pub
Deensværtshus