krioelen

/kriˈjulə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. in grote aantallen willekeurig door elkaar heen bewegen
    (…) de talrijke wandelaars krioelen in hun bonte kledij dooreen en overal is gezang, gedans, gejuich.
  2. vol zijn, druk zijn
    De straten krioelen hier van de toeristen.
    Het krioelde hier van de mieren.

Etymologie

*van Middelnederlands "crielen", mogelijk weer van "kriuwelje" "kriebelen"