krijgsvolk
onzijdig (het)/xxxx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- een (grote of kleine) groep militairenHet krijgsvolk van keizer Maximiliaan I werd betaald met een speciale belasting, het ruitergeld.
- de militairen (als verzamelnaam)Het krijgsvolk stond in vele tijden bekend als ruw en onbehouwen.
- een volksstam wiens maatschappij gericht is op de oorlogvoeringDe Myceners waren een krijgsvolk: ze woonden in burchten, vestingen op de akropolissen van hun moedersteden.
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek