krijgen
/ˈkrɛiɣə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (ov) verwerven, ontvangenHij krijgt een boek.Ik had geen trail name want die verzin je niet zelf, die krijg je op de trail van een mede-hiker.Voor vertrek had ik een gedetailleerde voedsellijst gekregen van ‘Hummingbird’, een Engelse vrouw die de PCT in 2015 had gelopen. Op haar blog ‘followingthearrows.com’ had ze minutieus elk detail van haar PCT-voorbereiding beschreven.
- (ov) in een bepaalde gewenste toestand brengenIk krijg dat wel in orde.
- (ov) iets oplopen of beginnen te ondervinden (ziekte e.d.)Hij kreeg een verwonding.Vlak voor het examen kreeg hij griep.
- (auxl) maakt met behulp van een meewerkend voorwerp eenZij reikten een prijs uit aan de artiest. Hij kreeg een prijs uitgereikt.
Etymologie
* Uit Middelnederlands crīghen ‘zich begeven naar; zich inspannen, streven; twisten, strijden; oorlog voeren’, ontwikkeld uit Oergermaans *krīgan-. Men vergelijkt Oudiers bríg ‘kracht, macht’ en Oudgrieks hýbris (ὕβρις) ‘overmoed’, die men terugvoert op de Indo-Europese wortel *gʷrih₂-.Guus Kroonen, Etymological Dictionary of Proto-Germanic, Leiden: Brill, 2013, blz. 304–305. Evenals Nederduits kriegen en Fries krije.
Uitdrukkingen
- een koekje van eigen deeg krijgen
- Aan zijn broek krijgen — Met iets vervelends/moeilijks/hinderlijks e.d. worden opgescheept
- De bovenhand krijgen — Dominant worden
- De kous op de kop krijgen — Je zin niet krijgen of teleurgesteld worden
- De schop krijgen — Ontslagen worden
- De volle laag/mep krijgen — Alles over zich heen krijgen
- De zak krijgen
- Een beurt krijgen — Onderhanden genomen worden
Vertalingen
Engelsget
Fransrecevoir
Duitsbekommen
Spaansrecibir, obtener
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek