kriek

mannelijk/vrouwelijk (de)/krik/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. fruit (fruit) (ten Noorden van de Moerdijk:) laatrijpe, bijna zwarte, zeer zoete kers met grote pit
  2. fruit (fruit) zure kers, steenvrucht van
  3. bloemplanten (bloemplanten) bepaald soort vruchtboom,
  4. drinken (drinken) uit België afkomstig bier, gewoonlijk op basis van lambiek of geuze, waaraan het sap van zure kersen is toegevoegd

Etymologie

*van Middelnederlands "crieke", in de betekenis van ‘kers’ voor het eerst aangetroffen in 1351

Vertalingen

Engelscricket
Spaanscereza agria, cereza amarga, cereza silvestre