kriebel

mannelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. Een ongemak dat jeuk, hoest of irritatie veroorzaakt. Ook in de figuurlijke zin.
    Ik krijg de kriebels van hem
  2. figuurlijk (figuurlijk) een gevoel van onrust of rusteloosheid (om iets te ondernemen, reizen, e.d.)
    En nadat er een jaar was verstreken kreeg hij weer de kriebel in zijn bloed zodat hij besloot zijn vertrek niet langer uit te stellen.{{Aut|Herzen, Frank

Vertalingen

Engelsitch, itch, wanderlust
Fransgrat, démangeaison, bougeotte
DuitsJuckreiz, Fieber
Spaanspicor, picazón, impulso