kreupelhout

onzijdig (het)/ˈkrøpəlˌhɑut/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. laag stuikgewas waarbij de takken van de boompjes door elkaar heen groeien
    Indien u hagen moet scheren, in kreupelhout of aan dakgoten of op een oude zolder moet werken, controleer dan eerst of er geen wespennest in de buurt is. Vermijd de omgeving van bijenkorven en bloemperken in bloei.de Standaard 22/05/2017 gw, vtvn
    Op vier verschillende campings werden zo'n dertig tenten en bungalows vernield. Twee brandweermannen raakten gewond. Inmiddels is het vuur onder controle. Volgens regionale media brandde er kreupelhout. Een andere brand vernietigde meer dan 120 hectare dennenwoud tussen Béziers en Carcassonne. Er werden zes blusvliegtuigjes ingezet. Bij beide branden samen streden in totaal vierhonderd brandweermensen tegen het vuur.Tubantia 10-01-2017

Etymologie

*, in de betekenis van ‘laag gewas met dooreengegroeide takken’ aangetroffen vanaf 1812

Vertalingen

Engelsbrushwood, undergrowth
Franssous-bois
DuitsUnterholz
Spaansmata
Italiaanssottobosco
Portugeessub-bosque