kras

mannelijk/vrouwelijk (de)/krɑs/

Betekenis

tussenwerpsel
  1. weergave van een schrapend geluid als van een scherpe punt of rand over een hard oppervlak
    Kras. Kras. Kras. Gaan de ijzers op het ijs.
  2. weergave van het geluid dat kraaien en raven maken
    In zijn eigen taaltje begon Reintje een gesprek met de raaf. (…) ‘Kras, kras,’ klonk 't nu harder dan ooit, ‘kras, kras!’ Bedroefd zat 't arme dier voor zich uit te kijken.
zelfstandig naamwoord
  1. schrapend geluid, als van een scherpe punt of rand over een hard oppervlak of als dat van een kraai of raaf
    De kraai hoog in de berkenboom liet een luide kras horen.
  2. snelle, krachtige beweging van een scherpe punt of rand over een hard oppervlak
    Op de tafel liggen een pen en een gedoofd kaarsje, en de brief waarop Sneeuwwitje blijkbaar haar moeder heeft getekend, schematisch, een harig kopje en een lijfje met twee tietjes, en er een kras heeft doorgezet.
  3. langgerekte oppervlaktebeschadiging veroorzaakt door het bewegen van een scherpe punt of rand over een hard oppervlak
    Leg iets onder je schrijfwerk, anders krijg je krassen op tafel!
werkwoord
  1. nog sterk voor zijn jaren
    Hij is een krasse ouwe baas.
  2. opzienbarend, meest in een onaangename zin van dat woord
    Dit is een krasse tegenstelling.
  3. (Suriname) fel of agressief
  4. seksualiteit (Suriname) (seksualiteit) geil en potent
zelfstandig naamwoord
  1. op gesmolten zetlood drijvend vuil

Etymologie

**: van "crasse"

Vertalingen

Engelsscratch, feisty, crass
DuitsKratzer, Schramme