kranke

mannelijk (de)/ˈkrɑŋkə/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. verouderd (verouderd) iemand die aan een ernstige kwaal lijdt
    Kon Kruidman door de kracht der artsenijgewassende dood niet keren en haar razende grimassen?Kon hij de kranke dan, in die benauwde staat,bevrijden met zijn vlijt noch redden door zijn raad?

Etymologie

*: "krank" met de uitgang -e