kramp
mannelijk/vrouwelijk (de)/krɑmp/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (medisch) een toestand van onwillekeurige en aanhoudende samentrekking van een spierIk kreeg kramp in mijn kuiten.
Etymologie
* In de betekenis van ‘spiersamentrekking’ voor het eerst aangetroffen in 1100
Vertalingen
Engelscramp
Franscrampe
DuitsKrampf
Spaanscalambre, espasmo, rampa
Italiaanscrampo
Portugeescãibra
Russischсудорога
Chinees抽搐
Poolskurcz
Zweedskramp
Deenskrampe
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek