kramp

mannelijk/vrouwelijk (de)/krɑmp/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. medisch (medisch) een toestand van onwillekeurige en aanhoudende samentrekking van een spier
    Ik kreeg kramp in mijn kuiten.

Etymologie

* In de betekenis van ‘spiersamentrekking’ voor het eerst aangetroffen in 1100

Vertalingen

Engelscramp
Franscrampe
DuitsKrampf
Spaanscalambre, espasmo, rampa
Italiaanscrampo
Portugeescãibra
Russischсудорога
Chinees抽搐
Poolskurcz
Zweedskramp
Deenskrampe