kraan
/kran/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (m), (kraanvogelachtigen) bepaald soort vogel
- (f)/(m), (techniek) mechanisme waarmee de stroming van vloeistof of gas geregeld kan worden
- (f)/(m), (techniek) (van kabels en katrollen voorzien) werktuig om voorwerpen in de hoogte te verplaatsen
- (m), (informeel) iemand die op een bepaald gebied uitblinkt
Etymologie
*[4] Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘flinke vent’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1866
Vertalingen
Engelswhizkid, tap, faucet
Fransgrue, robinet, grifo
DuitsAss, Hahn
Spaansgrúa
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek