kraal

mannelijk/vrouwelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. materiaalkunde (materiaalkunde) een doorboord kogeltje van een kleurig materiaal, voornamelijk bedoeld als versiering
    Je kunt kraaltjes rijgen tot een ketting of in een patroon op iets aanbrengen.
  2. (bij uitbreiding) een bolrond voorwerpje
    Het gesmolten metaal verzamelde zich in kraaltjes op de bodem.
  3. metallurgie (metallurgie) een ronde verdikking in een dunne laag metaal
  4. veeteelt (veeteelt) een omheinde ruimte, gewoonlijk voor het houden van vee

Etymologie

* In de betekenis van ‘element van sierketting’ voor het eerst aangetroffen in 1480

Vertalingen

Engelsbead, corral, enclosure
Fransperle
Spaansabalorio, cuenta, grano