kraakwilg
mannelijk (de)/ˈkrakwɪlᵊx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (bloemplanten) bepaald soort loofboom, , die inheems is in de Benelux en tot 25 meter hoog kan wordenKenners onderscheiden wel 40 soorten wilgen, die onderling verbasteren. „Die heldergroene is de kraakwilg en die grijsgroene de schietwilg”, wijst de boswachter.
Etymologie
*, omdat het hout erg breekbaar is
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek