kost

mannelijk (de)/kɔst/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. verouderd (verouderd) geldbedrag of andere tegenprestatie voor een verkregen voorwerp of dienst of voor veroorzaakte schadeHet enkelvoud is in deze betekenis verouderd, zeker in Nederland; het meervoud kosten is gangbaar geworden.
  2. voeding (voeding) voedsel, als onderdeel van het dagelijks bestaanIn deze betekenis wordt het meervoud niet gebruikt, maar komen de verkleinwoorden wel voor.
    Ik probeer zoveel mogelijk gezonde kost te maken, maar soms is het ook een soepje of een boterham.

Etymologie

*van Middelnederlands "cost" / "coste", in de betekenis van ‘uitgave, levensonderhoud’ voor het eerst aangetroffen in 1240

Uitdrukkingen

  • De kost gaat voor de baat uitOm een doel te bereiken moet je eerst uitgaven doen
  • saluut en de kost
  • In de kost zijn bijVoor dagelijkse voeding deel uitmaken van de huishouding van
  • Vrije kost en inwoningGratis voeding en huisvesting
  • Zijn kostje is gekochtHij heeft een financieel gunstige positie verkregen
  • Zijn ogen goed de kost gevenGoed om zich heen kijken
  • Mensen niet de kost willen gevenwordt gezegd in het geval dat iets niet geldt voor een groot aantal mensen
  • het koste wat het kost

Vertalingen

Engelsfood, nourishment
Fransnourriture, bouffe
DuitsKost
Spaansalimento