kossem
mannelijk (de)/ˈkɔsəm/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- halskwab van een rundDaarvoor in de plaats moesten van nu af aan de koeien onder de hoogtezon, om haar opbrengst aan melk te verdubbelen, hetgeen zij, klaarblijkelijk uit dankbaarheid voor het niet geslacht worden, zo bereidwillig deden dat zij, na een korte tijd van aanpassing, de uier al dadelijk onder de kossem lieten beginnen.
- (verouderd) onderkin van een mensEen schijnheilige, geile oude met doodsen blik steekt den toegepersten mond vooruit boven een blauwe, platte kin, die één is met den gerimpelden kossem van den hals.
Etymologie
*Vergelijk Middelnederlands "coder" "halskwab" en "kodder" "slijm" en "Köder" "aas, voer"; in dialect ook: "onderkin". De hierin herkenbare wortel "kod" staat mogelijk in verband met "cud" "te herkauwen voedsel" en hiervan is dan wellicht al in het Oergermaans een afleiding gemaakt met '-smôn' dat "zwelling" zou aangeven, vergelijk "kusma" "bof"
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek