kornis
mannelijk/vrouwelijk (de)/kɔrˈnɪs/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (bouwkunde) horizontale, vaak wat uitspringende band die als versiering aan de bovenkant van een muur of boven een opening daarin is aangebrachtTieldeke ging even schoorvoetend tot aan het dakvenster, richtte zich op haar tenen, keek naar buiten. Zij zag twee rijen grijze dakpannen, en vlak daaronder de zwart-vuile, nattige zinken goot van de kornis.
Etymologie
*van "corniche"
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek