koppelaarster

vrouwelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. vrouw die een huwelijk arrangeert
    Wat bent u toch een koppelaarster, ma tante.
    Geld voornaamste drijfveer De grote tragiek uit Bernhards leven, vindt de schrijfster, is de keuze die hij op zijn vijfentwintigste maakt. Van harte gesteund door zijn moeder, met een tante als koppelaarster weet hij een verpletterende indruk te maken op Juliana. Voor wie wanhopig een man werd gezocht.
    "In de afgelopen twintig jaar is de markt voor mannen veel lastiger en competitiever geworden", aldus professioneel koppelaarster Yoko Itamoto.
  2. vrouw die een bordeel houdt

Etymologie

* afleiding van koppelaar