koopstad

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈkopstɑt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. verouderd (verouderd) dichtbevolkte plaats waar veel goederen worden verkocht die op andere plaatsen gebruikt gaan worden
    Daarop zien wij een middeleeuws koggeschip: een zinnebeeld van de koopstad Amsterdam dat voorkomt op het oudst bekende stadszegel, uit 1347.

Etymologie

*van Middelnederlands "coopstat", op te vatten als