kool
mannelijk/vrouwelijk (de)/kol/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (bloemplanten) (groente) een geslacht uit de kruisbloemenfamilie (Cruciferae of Brassicaceae). Het geslacht bevat een aantal landbouw- en tuingewassen. De bloemen bestaan uit vier kelkbladen, vier kroonbladen, zes meeldraden en twee vruchtbladenEen kool met een verfijnde smaak.
- een zwarte brandstof die voornamelijk uit koolstof bestaat
Etymologie
# Van Middelnederlands kole, van Protogermaans *kula
Uitdrukkingen
- De kool en de geit sparen — Een oplossing vinden waar beide partijen tevreden mee kunnen zijn
- Het is allemaal kool — Stoett-1239 [http://www.dbnl.org/tekst/stoe002nede01_01 www.dbnl.org]
- Het sop is de kool niet waard — een onderwerp is te onbelangrijk om er aandacht aan te geven
- Iemand een kool stoven — iemand op een onprettige manier ertussen nemen
- Iets met een zwarte kool tekenen — Stoett-1238 [http://www.dbnl.org/tekst/stoe002nede01_01 www.dbnl.org]
- Je kan niet de kool en de geit sparen — je moet keuzes maken
- Oom Kool — Stoett-1700 [http://www.dbnl.org/tekst/stoe002nede01_01 www.dbnl.org]
Vertalingen
Engelscabbage, cabbage plant, cole
Franschou, charbon, houille
DuitsKohl, Kohle
Spaanscol, repollo, berza
Italiaanscavolo, carbone
Portugeesrepolho, couve, carvão
Russischкапуста, уголь
Chinees煤炭
Japansキャベツ
Koreaans양배추
Arabischفحم
Turkslahana, kömür
Poolskapusta, węgiel
Zweedsvitkål, kol
Deenskål, kul
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek